Historie1

Het instrument is in 1940 gemaakt door Hendrik Wicher Flentrop, orgelmaker gevestigd in Zaandam. In 1960 breidde Albert H. de Graaf Manuaal I uit met een Quint 22/3’ en een Octaaf 2’ op een aparte lade; hij vernieuwde ook de magneten. Fonteyn & Gaal plaatste in 1970 een nieuwe speeltafel. In 1986 vernieuwde orgelmakerij Kaat & Tijhuis uit Kampen de membranen en herintoneerde de in 1960 bijgeplaatste registers en de tongwerken. Drie jaar later werden enkele wijzigingen doorgevoerd in de dispositie van het tweede manuaal en een Fagot 16’ toegevoegd aan het Pedaal. In 1994 plaatste Kaat & Tijhuis een suboctaafkoppeling tussen de manualen.

De dispositie luidt als volgt:

 

Manuaal I (C–g³)                        Manuaal II (C–g³)                       Pedaal (C–f¹)

Prestant 8’                                   Holpijp 8’                                     Subbas 16’

Roerfluit 8’                                   Prestant 4’ (1940/1989)              Octaaf 8’

Octaaf 4’                                     Fluit 4’                                          Gedekt 8’ (unit Subbas 16’)

Quint 3’ (1960)                            Nasard 22/3                                 Octaaf 4’ (unit Octaaf 8’)

Octaaf 2’ (1960)                          Flageolet 2’                                  Fagot 16’ (1989)

Mixtuur 4–5 st.                             Terts 13/5 (vanaf c, 1989)

Trompet 8’                                   Dulciaan 8’

 

Werktuiglijke registers

koppelingen: I+II, I+II sub, P+I, P+II; tremolo Manuaal II

 

Samenhang tussen kerk en orgel

De Beatrixkerk is in de jaren 1939/1940 gebouwd in stijl van de Delftse School naar ontwerp van Evert Jan Rotshuizen. Het gebouw met zijn hoge middenschip en lage zijbeuken geeft de indruk van een basilica. Rotshuizen raakte hiertoe geïnspireerd tijdens een reis door Italië in de jaren 1930. Aan de zuidkant heeft de kerk een brede klokkentoren. Aan de noordkant bevindt zich een hoog portaal aan de buitenzijde.

Het huidige interieur dateert van 1990. Een van de weinige onderdelen die nog resten uit de bouwtijd van de kerk, is het orgel. Wat stijl en ontstaansperiode betreft, vormt het instrument van Flentrop een sterke eenheid met het monumentale kerkgebouw. Voor navolgers van de traditio-nalistische Delftse School was schoonheid gelegen in eenvoud, harmonie tussen massa, ruimte en lichtval. Kenmerkend was onder meer het gebruik van “eerlijke” en traditionele materialen zoals baksteen. De vorm diende de functie te weerspiegelen.

Kerkorgel

Het frontontwerp van het orgel kenmerkt zich in eenvoud van materiaal en vrijwel volledig samen-vallen van functie en vorm. Normaliter bevindt een orgel zich op een apart balkon of in een nis. In de Beatrixkerk is geen sprake van een orgelbalkon, de vloer waar het eigenlijke instrument op rust, is zelf het orgelbalkon. Daardoor maakt de vloer een essentieel deel uit van het frontont-werp, vorm en functie vallen samen. Vanuit de kerk gezien springt de orgelvloer zeer in het oog, niet in het minst vanwege de fraaie versiering die in eenvoudige geometrische vormen is uitge-voerd. Er zijn weinig orgelfronten uit dezelfde tijd te vinden waarin de onderzijde een dergelijke prominente rol speelt. Een goed voorbeeld is het orgel dat Flentrop in 1937 leverde voor de Wereld-tentoonstelling in Parijs. Het instrument hangt tegenwoordig hoog in het koor van de Grote Kerk van Naarden.

Vorm en functie vallen ook samen in het pijpenfront: alle frontpijpen geven klank. Het gebruik van roodkoper voor de voorste rij pijpen en donker hout van de tweede laag daarachter laat het orgel aansluiten bij de kleurstelling van het houten plafond van de kerk.

De opstelling van twee rijen frontpijpen is uitdrukking van de expressionistische plastiek die vele fronten vanaf ongeveer 1920 kenmerkte, veelal onder invloed van de Amsterdamse School. Het spaarzaam toepassen van ornamentiek in de Beatrixkerk, is weer typisch voor de Delftse School. Het front kent alleen versieringen in de vorm van transparant traliewerk achter de tweede laag frontpijpen en aan weerkanten van het front. Het lijnenspel daarin sluit aan bij de diagonale lijnen in de versiering van de onderzijde van de orgelvloer.

1 De gegevens in dit artikel zijn gebaseerd op een document dat de kerkrentmeesters ter beschikking stelden

Ga naar boven